Home
Vincent
Verblijfs- vergunning
Hoofdstuk1
Recensies
Links
|
1
Aysel kwam naar Amsterdam in de zomer van 1994.
Voor iemand die Holland helemaal niet kende, viel het
niet op, maar de zomer van 1994 was uitzonderlijk warm. Weken
achtereen scheen de zon. In plaats van te klagen over het slechte
weer, zoals in zoveel andere jaren, klaagden de inwoners van de stad
deze zomer over de hitte, die ook ’s nachts niet meer uit de
benauwde huizen te verdrijven was. Op de vele terrassen in de stad
zochten de mensen al lang de zon niet meer op, wat zij nog tot laat in
het voorjaar wel gedaan hadden. Zij zochten nu nog slechts, op alle
plaatsen waar dat maar mogelijk was, naar verkoeling. Om de hitte
enigszins te ontlopen deden de mensen hun inkopen bij voorkeur ’s
morgens vroeg. De middagen en de avonden brachten ze daarna door op
hun balkon of in hun tuin, als die tenminste voldoende schaduw bood.
Anders bleven ze liever binnen in hun huizen waarin de gordijnen
dichtgetrokken waren om het felle zonlicht buiten te houden.
Aysel had er helemaal geen weet van dat de zomer van 1994 voor
Nederland zo bijzonder was. Ze kwam uit een zonnige streek in Turkije
en voor haar waren lange warme zomers normaal. Altijd al had zij de
typisch zuidelijke gewoonte gehad om in elk jaargetijde het huis af te
schermen van de zon. En zij vond het helemaal niet bijzonder dat de
mensen die juist probeerden te mijden in plaats van op te zoeken. Pas
veel later, nadat ook zij lange tijd in Nederland had gewoond, leerde
Aysel dat ook zij de warmte van de zon maar moeilijk kon missen.
Die ochtend had ze al
heel vroeg een charter vanuit Antalya naar Frankfurt genomen.
‘Ik ben zover’, had
ze ’s morgens opgewekt tegen haar oudste zus gezegd. ‘We kunnen
gaan.’ Ze kuste haar ouders gedag. Haar moeder kon haar tranen maar
met moeite bedwingen.
‘Doe je de groeten aan
je tante Haliçi’, zei ze. ‘We zullen je vanavond bellen om te
horen of alles goed gegaan is.’
‘Natuurlijk gaat alles
goed’, had Aysel geantwoord. ‘Tante haalt me immers op van het
vliegveld. Maak je nou maar geen zorgen. En ik spreek je vanavond over
de telefoon.’ Maar ondanks haar geruststellende woorden kon ook zij
haar zenuwen maar nauwelijks bedwingen. Snel kuste ze de overige
familieleden gedag en stapte ze in de auto. Haar zus reed haar
vervolgens de straat uit waar ze bijna haar hele leven had gewoond.
Het was nog schemerig
toen ze bij het vliegveld aankwamen, maar toch was het er al een
drukte van belang.
‘Ik begrijp nog steeds
niet goed waarom je nou eigenlijk naar Nederland wilt’, zei Sveta,
nadat zij de auto op het grote parkeerterrein hadden achtergelaten.
Zij droeg haar zus’ grote koffer naar de ingang. ‘Je hoefde toch
helemaal niet weg?’ Maar Aysel had geen zin om daar opnieuw over te
beginnen en deed net of ze het niet gehoord had.
‘Weet jij waar we
moeten zijn?’ vroeg ze. Ze keek naar de drommen mensen die voor de
verschillende balies stonden te wachten. Zoveel mensen, dacht ze.
Moeten die ook allemaal mee? Sveta drong gelukkig niet verder aan.
Het duurde zeker drie
kwartier voordat Aysel haar bagage had afgegeven. ‘Ik heb nog een
half uur voor ik aan boord moet’, zei ze. ‘Wat kunnen we nog gaan
doen?’ Ze stonden boven en keken uit over de overdekte binnenplaats
van de luchthaven.
‘Wil je wat
drinken?’ vroeg Sveta.
‘Eigenlijk niet’,
antwoordde Aysel, die een onbestemd gevoel in haar maag had. Het
liefst had ze haar zus meteen gedag gezegd. ‘Zullen we nog even
buiten gaan lopen? Daar is het nog lekker fris.’ Maar nauwelijks
waren ze buiten of Aysel wilde alweer naar binnen gaan. ‘Ik denk dat
ik maar vast mijn vliegtuig ga opzoeken, anders mis ik hem misschien
nog’, zei ze.
‘Goed’, zei haar
zus, die haar opnieuw naar binnen begeleidde. In de hal namen zij nu
afscheid van elkaar.
‘Dag Sveta’, zei
Aysel, en omhelsde haar zus.
‘Dag Aysel’,
antwoordde die. ‘Volgend jaar kom je gewoon weer naar Turkije, hč?
En dan zien we je weer. En je moet me schrijven, hoor.’ Aysel gaf
haar zus een laatste kus en verdween daarna in de mensenmenigte. Sveta
liep naar de parkeerplaats waar ze haar auto opzocht, en reed
vervolgens terug naar huis.
In die tijd was het nog
vrij eenvoudig om op een toeristenvisum vanuit Turkije naar Duitsland
te komen. Europese afspraken die het reizen bemoeilijkten, waren al
wel gemaakt maar de Duitse consul gaf toch nog zonder problemen een
visum voor drie maanden af. Haar familie in Amsterdam stuurde daarop
een ticket van de goedkoopste chartermaatschappij en dus landde Aysel
’s morgens, even na tien uur, op het vliegveld van Frankfurt.
Aysel was een vrolijke
en opgewekte vrouw van nog maar net vierentwintig jaar oud. Zij
kleedde zich leuk en modern. Met haar nauwe spijkerbroek, haar
felgekleurde katoenen bloes en haar ondeugend grote hoed onderscheidde
ze zich in bijna niets van de overige, meest Noord-Europese
passagiers. Alleen haar dichte bos zwarte haren en haar mooie donkere
ogen verraadden haar Turkse nationaliteit.
Hoewel Aysel in normale
omstandigheden een rustige vrouw was die beslist niet gauw in paniek
raakte, wist ze deze keer toch echt niet wat er van haar verwacht
werd. Maar het ontbrak haar dan ook aan zelfs maar de geringste
reiservaring. Voor het eerst van haar leven was ze in het buitenland.
Ze sprak bijna geen vreemde talen, in een vliegtuig had ze daarvoor
nog nooit gezeten. En nu stond zij, toen zij op die warme zomerdag in
Duitsland aankwam, opeens helemaal alleen in een hele andere, haar
totaal onbekende wereld. Ze was op een internationaal vliegveld
waarvan zij de gebruiken niet kende. Ze had haar koffers teruggevonden
door gewoon de andere passagiers naar de uitgang te volgen, maar veel
meer steun hadden die haar niet kunnen verlenen: ze kon verder niet
met hen praten. En ze wist dan ook niet wat zij moest doen toen zij,
tot haar grote schrik, bemerkte dat er niemand was om haar af te
halen.
Aysels tante Haliçi en
haar man Ibrahim waren die ochtend ook vroeg opgestaan.
‘Schiet nou toch eens
op’, had Aysels oom die morgen zenuwachtig tegen zijn vrouw gezegd.
Naar zijn mening had zij veel te lang nodig om zich klaar te maken
voor het vertrek. Hij was gespannen omdat hij de auto op die snikhete
dag helemaal van Amsterdam naar Frankfurt en weer terug moest rijden.
En hij kende de gebreken van zijn oude wagen maar al te goed. Hij zou
die dag zeker een paar keer moeten stoppen, had hij zich voorgenomen:
dan kon hij in ieder geval het oliepeil nog wel even controleren.
Al om zes uur waren ze
vertrokken om op tijd op het vliegveld te zijn. Maar toch kwamen ze er
nog veel te laat aan. In het spitsuur hadden ze bij Keulen
vastgezeten, en vlak voor Frankfurt waren ze eenmaal fout gereden.
‘Je moet de linkerbaan
aanhouden’, riep zijn vrouw op het allerlaatste moment nog tegen hem
toen zij de naam van de stad plotseling op het bord zag opdoemen. Maar
Ibrahim had het te druk om op het verkeer te letten en miste het bord
volledig. Pas na tien kilometer konden ze de snelweg weer verlaten en
omkeren. Ze waren veel tijd kwijtgeraakt. Aysel had meer dan één uur
in de aankomsthal staan wachten voordat zij haar, kort voor het
middaguur, daar ten slotte aantroffen.
De zenuwen van die
ochtend, het vroege opstaan en de vele nieuwe ervaringen hadden Aysel
natuurlijk vermoeid. Maar het eenzame wachten op de luchthaven had
haar helemaal van haar stuk gebracht. Ze was uitgeput toen zij haar
familie kon begroeten.
‘Zijn jullie daar
eindelijk?’ zei ze, zowel boos als opgelucht.
‘Dag lieverd’, zei
haar tante, die haar op beide wangen een hartelijke kus gaf. Aysel
liep met hen mee naar de auto, die door de brandende zon kokendheet
was geworden. Ze stapte in en nog voor de snelweg goed en wel bereikt
was, viel ze in slaap.
De reis naar Nederland
verliep voorspoedig. De auto legde de hele afstand af zonder ook maar
één keer te haperen. Toen Aysel weer wakker werd, waren ze al bijna
bij Utrecht. De grens waren ze voorbijgereden zonder dat iemand ze om
hun papieren had gevraagd.
‘Waar zijn we?’
vroeg Aysel.
‘Het is niet ver
meer,’ antwoordde haar tante, ‘nog een half uur en dan zijn we
thuis. Gaat het goed met je?’
‘Ja, veel beter’,
zei ze, terwijl ze een keer diep zuchtte. Ze keek naar buiten en zag
een vreemd landschap aan zich voorbij trekken.
Om zes uur ’s middags
kwamen ze aan op hun bovenwoning in de Amsterdamse Baarsjes. Een paar
kleine raampjes hadden de hele dag opengestaan maar toch leek het wel
een oven in de kleine woning. Snel schoven ze het grote raam omhoog en
samen met de geluiden van de stad kwam er een frisse wind naar binnen.
Ibrahim ging meteen het eten klaarmaken. Zijn vrouw, die al bijna vier
maanden zwanger was, nam plaats aan de kleine keukentafel.
‘Kook jij?’ vroeg
Aysel. Maar voordat hij kon antwoorden, reageerde Haliçi al.
‘Hij vindt het leuk om
te koken. Hij heeft dat hier in Nederland geleerd’, zei ze,
enigszins spottend. ‘Maar hij kookt wel Turks, hoor’, voegde ze er
geruststellend aan toe. Aysel was er echter niet zozeer verbaasd over
om haar oom in de keuken bezig te zien. Zij verbaasde zich eigenlijk
vooral over de woning
waar haar tante in woonde; haar familie had in Turkije altijd in een
veel groter huis gewoond. Ze liet haar verbazing echter niet merken,
maar verliet de keuken en ging de woonkamer in waar ze de televisie
aanzette. Ze liep de zes Turkse zenders langs die er in Amsterdam over
de satelliet te ontvangen zijn en liet hem staan op een zender met een
nieuwsuitzending.
Na een uur was het eten
eindelijk klaar. Aysel had inmiddels echt honger.
‘Smaakt het?’ vroeg
haar oom haar, nadat hij alles van het fornuis op de tafel had gezet
en hen had opgeschept.
‘Het is heel
lekker’, zei Aysel oprecht verrast, nadat zij een hapje van de nog
hete aubergine had genomen. ‘Ik wist helemaal niet dat jij zo goed
kon koken.’
‘Neem gerust nog wat,
hoor’, zei Ibrahim, die erg ingenomen was met Aysels reactie. Hij
schoof één van de pannen al een stukje in haar richting. ‘Er is
meer dan genoeg.’
‘Ja, het is inderdaad
heel lekker’, zei nu ook Haliçi, die de pan weer naar zich toe trok
en zichzelf eerst bediende.
‘Willen jullie
dadelijk naar buiten gaan?’ vroeg Ibrahim. ‘Het is nog steeds mooi
weer hier. En je weet immers nooit hoe lang dat duurt in Nederland.’
‘Nee hoor, dat kan
echt niet’, zei Haliçi, nog voordat Aysel kon antwoorden. ‘Je
ziet toch dat het arme kind doodop is. Hoe laat ben je vanmorgen
opgestaan, lieverd?’ zei ze, haar laatste opmerking aan Aysel
richtend.
‘Om drie uur’,
antwoordde die.
‘Zie je wel’, ging
Haliçi verder. ‘En daarvoor heb je natuurlijk ook al bijna niet
geslapen. Je moet hoognodig naar bed, hoor.’ Aysel wilde eigenlijk
zeggen dat ze nog best even naar buiten had gewild. Ze had immers in
de auto al geslapen en was helemaal niet meer moe.
Ik ben eigenlijk wel
benieuwd waar ik nu terecht ben gekomen, dacht ze zelfs nog. Maar ze
sprak haar tante niet tegen en volgde haar aanwijzing als een
gehoorzaam kind op. Ze belde alleen nog even naar Turkije om te zeggen
dat zij goed was aangekomen.
’s Avonds lag Aysel
daarom al vroeg in haar bed en dacht na over de gebeurtenissen van die
dag. Haar leven in Antalya zag zij scherp voor zich terwijl ze
indommelde. Veel vager stond haar voor ogen wat haar nieuwe leven in
Amsterdam haar zou brengen.
|